In de zomer van vorig jaar heeft de Europese Commissie een studie[1] gepubliceerd naar de verplichtingen die bestuurders hebben op het gebied van duurzaam ondernemingsbestuur. Hierin werden zeven factoren geïdentificeerd die bedrijven ertoe aanzetten om zich te concentreren op wat de Commissie definieert als ‘kortetermijndenken’. Eén van deze factoren ziet op situaties waarin het beloningsbeleid voor de Raad van Bestuur een focus op aandeelhouderswaarde op de korte termijn stimuleert, in plaats van waardecreatie voor het bedrijf op de lange termijn. Zolang er geen prestatiecriteria op het gebied van milieu, maatschappij en ondernemingsbestuur worden verbonden aan de op aandelen gebaseerde bestuurdersbeloningen, zal de focus gericht blijven op financieel rendement op de korte termijn, aldus de Commissie.

Van de korte, naar de lange termijn
De Commissie vindt dat bestuurders momenteel onvoldoende worden gestimuleerd om hun beslissingen te toetsen aan duurzaamheidsvereisten, en dat bedrijven daarom belangrijke investeringen achterwege laten op het gebied van speur- en ontwikkelingswerk, kapitaaluitgaven en de ontwikkeling van hun medewerkers. Hierdoor wordt onder meer de in de Overeenkomst van Parijs overeengekomen transitie naar duurzame waardecreatie vertraagd, en worden uiteindelijk grote duurzaamheidsrisico’s op de langere termijn genegeerd.

In de studie stelt de Europese Commissie een drietal oplossingen voor, die het primaat van de aandeelhouders op EU-niveau in evenwicht kunnen brengen met de vereisten uit de duurzaamheidsagenda. De oplossing die de Commissie zelf het meest kansrijk acht, voorziet in een wijziging van de zogenaamde Aandeelhoudersrichtlijn, waarmee het beloningsbeleid van bestuurders wordt afgestemd op langetermijn- en duurzaamheidsdoelstellingen. Dit zou dan met name moeten gebeuren door:

  1. De regulering van de mogelijkheid voor bestuurders om de aandelen te verkopen die ze als beloning hebben ontvangen; en
  2. De verplichting om in het beloningsbeleid van bestuurders bepaalde niet-financiële prestatiecriteria op te nemen op het gebied van milieu, maatschappij en ondernemingsbestuur, die worden gekoppeld aan de duurzaamheidsdoelstellingen van het bedrijf.

Gevolgen
Momenteel bestaat er in de meeste EU-lidstaten geen expliciete vereiste om bestuurdersbeloningen te koppelen aan niet-financiële prestatiecriteria op het gebied van milieu, maatschappij en ondernemingsbestuur. De door de Europese Commissie voorgestelde wijziging van de Aandeelhoudersrichtlijn zou daarom een ingrijpende verandering betekenen. Daar staat tegenover dat deze optie volgens de studie waarschijnlijk wel het meest effectief zal zijn in het bevorderen van een duurzaam ondernemingsbestuur.

Deze optie heeft als risico dat bedrijven hun bestuurdersbeloningen uitsluitend zullen koppelen aan indicatoren die gemakkelijk te kwantificeren zijn, zoals de tevredenheid van werknemers of consumenten (die kan immers worden gemeten aan de hand van, zeg, jaaromzet en enquêtes), en niet aan complexere criteria zoals mensenrechten of andere maatschappelijke rechten. De Commissie erkent dit risico, maar beschouwt het als een onvermijdelijk gevolg van de gekozen aanpak, dat mogelijk ook kan worden gemitigeerd door de reeds bestaande openbaarmakingsverplichtingen voor bedrijven.

Naar aanleiding van haar studie heeft de Commissie een openbare raadpleging gehouden over duurzaam ondernemingsbestuur, die op 8 februari van dit jaar is beëindigd. Een formeel voorstel voor een richtlijn wordt verwacht in het tweede kwartaal van 2021. Uit de raadpleging is onder meer naar voren gekomen dat in het voorstel prestatiecriteria zouden moeten worden opgenomen die (a) gemakkelijk door bedrijven kunnen worden gekwantificeerd, en (b) een significante en positieve verandering op duurzaamheidsgebied teweegbrengen. Deze criteria zouden dan ook nog zo flexibel moeten zijn dat ondernemingen ze goed kunnen afstemmen op hun specifieke branche en bedrijf. Een openstaande vraag daarbij blijft nog wie het aldus vormgegeven beloningsbeleid moet beoordelen, en hoe de daaraan te koppelen handhavingsbevoegdheid moet worden ingericht.

Conclusie
Hoewel wetswijzigingen met betrekking tot de reeds bijzonder ingewikkelde regelgeving over bestuurdersbeloningen niet hoog op de nationale politieke agenda’s lijken te staan, mag dit onderwerp zich verheugen in de bijzondere aandacht van de Europese Unie. Het lijkt duidelijk dat de Unie haar duurzaamheidsdoelstellingen de komende tijd nadrukkelijk ook via het beloningsbeleid wil gaan vormgeven.

Don-Tobias Jol | Baker McKenzie
Don-Tobias Jol is een partner binnen de Amsterdamse belastingadviespraktijk van Baker McKenzie, en heeft meer dan 20 jaren ervaring in zijn vakgebied. Hij richt zich op de advisering over beloningen in internationaal verband, met bijzondere nadruk op aandelengerelateerde beloningen, bestuurdersbeloningen en de beloningen van grensoverschrijdende werknemers (‘expatriates’). Don-Tobias is een veelgevraagd auteur en spreker over internationale beloningskwesties, en is momenteel lid van de Raad van Bestuur van de Global Equity Organization (GEO). Hij is op internationale uitzendingen geweest naar Zuid-Afrika (in 2005 en 2006) en Saoedi-Arabië (in 2012 en 2013), om aldaar de cliënten van zijn respectieve werkgevers te bedienen. Don-Tobias is lid van Baker McKenzie’s Global Employment & Compensation praktijkgroep, en leidt het Nederlandse Compensation & Benefits adviesteam van het advocatenkantoor.

+31 20 551 7486
Don-Tobias.Jol@bakermckenzie.com
Profile page

[1] https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/e47928a2-d20b-11ea-adf7-01aa75ed71a1/language-en